Home > De Boeken > Het Kleine Huis - Een Huis voor Laura > Liedjes en Versjes

 
 
 
 
 
 
 

Liedjes en Versjes

Versje op pagina 86:
Rinkelbel, rinkelbel,
rinkel vrolijk mee!
O, wat ga je fijn en snel
in een open arrenslee.

Liedje op pagina 136:
Dit is voor het meisje van zestien jaar,
dit is voor de vrouw van vijftig,
dit is voor de vrouw met het dure gebaar
en dit is voor de vrouw die vol vlijt is!
Dit is voor het schatje met kuiltjes die lachen
en dit voor het meisje dat er geen heeft,
dit is voor het meisje met twee ogen zo blauw
en dit voor de nimf die maar n heeft.

Liedje op pagina 136 en 137:
O, ik zing naar het zuiden om m'n Sallie te zien,
zing pollie-wollie-doedel heel de dag!
Mijn Sallie was een flinke trien,
zing pollie-wollie-doedel heel de dag.
Vaarwel, mijn fee met je toverlach,
ik ga weg naar Louisiana,
daar vind ik mijn Susie-Anna
en zing pollie-wollie-doedel heel de dag!

Liedje op pagina 137:
Gouden jaren gaan voorbij,
blijde, blijde gouden jaren.
Ze gaan op vleugels van de tijd,
die blijde gouden jaren.
Roep ze terug hun zacht gerucht,
onthoud hoe rijk ze waren,
o, verfraai ze in hun vlucht,
die blijde, gouden jaren.

Liedje op pagina 160:
Fluit maar, jongen, en ik kom naar je toe,
fluit maar, jongen, en ik kom naar je toe.
Al zijn mijn vader en moeder het moe,
fluit maar, jongen, en ik kom naar je toe.

Liedje op pagina 180:
Bij het schijnsel van de sterren
laat ons dwalen, vrij en blij.
Want niets is er in het daglicht
half zo mooi voor jou en mij.
Als de feeën, in de schemer
van de bomen, gaan we voort.
En we zingen zoete wijsjes,
want een lied is 's nachts het mooist.
Als niemand ons beluistert
of ons onze vreugd benijdt,
gaan we bij het sterrenschijnsel
samen dwalen, blij en vrij.

Liedje op pagina 184:
Vrolijk zeilt nu onze zeilboot
over het blinkend blauwe water.

Liedje op pagina 184:
Langs wegen en langs dijken,
lachend naar armen en rijken,
kom ik aangeslopen,
kom ik overal gekropen.

Liedje op pagina 184:
Drie blinde muizen, zie hoe ze rennen.
Ze rennen mee met de vrouw van de boer

Liedje op pagina 185:
O kindertijd vol geur en fleur:
het zwaaien op je moeders deur,
en 't snoepen tot je tong en tanden
al net zo kleven als je handen;
maar als ik straks met vlijt moet leren,
zal ik toch 't liefste zang studeren!

Liedje op pagina 185 en 186:
Laat ons bij het sterrenschijnsel,
als de avondnevel daalt,
als de nachtegaal gaat zingen
en zijn liefde in zang vertaalt,
in de lichte zomeravond,
als het windje zoetjes lacht,
uit de glans van onze woning,
weggaan in de stille nacht,
waar het zilv'ren water murmelt
aan de zelfkant van de wei,
laat ons bij het sterrenschijnsel
samen dwalen, vrij en blij.

Liedje op pagina 187:
Ik heb een prachtig kasteel gebouwd
in het verre land van mijn dromen,
voor jou en voor mij, en de liefde
houdt wacht als wij er later wonen.
O, zoet zal onze vreugde zijn,
o, niets zal die vreugde bezeren,
als de tijd vergaat en het liefdesuur slaat
en kussen de uren markeren.

Liedje op pagina 196:
Mijn hart doet zeer, onzegbaar zeer,
mijn hart doet zeer van verlangen;
het is als een koude winternacht,
omdat hij me zo laat verlangen.

Liedje op pagina 197:
O, blijf niet langer buiten staan,
je moet die schuwheid werten.
De mensen letten op je, John,
wanneer ze hier passeren!
En wat ze denken weet je niet,
er blijft altijd gezeur,
maar als je nu wat praten wilt,
kom erin en sluit de deur!
Kom erin! Kom erin! Kom erin!

Liedje op pagina 206:
De sterren wentelen door de lucht,
de aarde draait om haar as,
en wij voelen dat het krakend rad
voortgaat door onze pas.
Stap voort, m'n dappere jongens,
die as moet sneller gaan!
Waarom zouden wielen niet draaien
als sterren in hun baan?

Liedje op pagina 249:
Gouden jaren gaan voorbij,
blijde, blijde gouden jaren.

 

 
 
Het Kleine Huis op de Prairie