Home > De Boeken > Het Kleine Huis - Stad op de Prairie > Liedjes en Versjes

 
 
 
 
 
 
 

Liedjes en Versjes

Versje op pagina 18:
Een voor de gaai,
een voor de kraai,
twee om te groeien
en welig te bloeien.

Versje op pagina 22:
Een voor de rat,
twee voor de rat,
drie voor de rat
en vier voor de jat.

Liedje op pagina 48 en 49:
Roei naar de kust, zeeman!
Roei naar de kust!
Tart loeiende stormen...
En bulderende golven!
Roei naar de kust, zeeman...
Tart loeiende stormen...
En bulderende golven!
Roei naar de kust!

Liedje 49:
Mijn naam is Tee Pee Laydon...
... en ik ben dronken!

Liedje op pagina 56:
Hoera, hoera. We jubelen verblijd.
Hoera! Hoera! Die vlag heeft ons bevrijd!

Liedje op pagina 110:
Kom bij me... O, kom bij me
als in de lente
de wip-per-wil roept...

Liedje op pagina 176:
Keer weer, keer weer,
o, tijd in uw vlucht,
en breng op uw wieken
mijn kindertijd terug.

Liedje op pagina 178:
Wij zijn op wei, met de staf in de hand,
door een wilde woestijn en een onbekend land.
Geloof geeft ons moed en hoop geeft ons kracht.
De pelgrimstocht wordt zingend volbracht.
't Is de pelgrimsweg die de vaderen namen,
't is de weg waarlangs ze in het hemelrijk kwamen.
't Is de levensweg die naar God toe leidt,
't is de weg naar huis en de eeuwigheid

Gedicht op pagina 189:
Kom naar de tuin, Maud,
want de donkere nacht is heen.
Kom naar de tuin, Maud,
ik sta hier bij het hek, alleen.
De bomengeuren zijn zwak en oud
en de tijd van de rozen is voorbij.

Spreuk op pagina 199:
Verloren, tussen zonsopgang en zonsondergang,
Één gouden uur, bezet met zestig diamanten minuten.
Geen beloning, want het is voor altijd weg.

Liedje op pagina 202 en 203:
Wat zeg je van de Mulligan band!
Die zwartjes zijn niet te slaan!
Wat ZEG je VAN de MULligan BAND!
Die ZWARTjes zijn NIET te SLAAN!
Hun BEnen ZWAAIen IN de MAAT!
En KIJK maar HOE dat GAAT!

Liedje op pagina 217:
We zaaien het zaad als de morgen straalt,
we zaaien het zaad als de middagzon praalt,
we zaaien het zaad als de schemering grijst,
we zaaien het zaad als de nacht verrijst.
O, hoe zal de oogst straks zijn,
o, hoe zal de oogst straks zijn?

Gedicht op pagina 227:
De jongeman hield de beitel gereed
en het marmeren blok stond voor hem.
Zijn smalle gezicht werd van vreugde verlicht,
want een hemelse droom gleed door hem.
Hij hakte die droom in gewillige steen
met diepe en krachtige slagen.
Een hemels licht viel over hem heen
en het beeld deed zijn droom zelfs vervagen.
Wij, mensen, wij houwen ons levensbeeld
zelf uit het leven: 't ligt ongerept voor ons.
Die hakken wij dan in gewillige steen
met diepe en krachtige slagen.
Valt het hemelse licht er wijd overheen,
dan doet het die droom zelfs vervagen.

 

 
 
Het Kleine Huis op de Prairie