Home > De Boeken > Het Kleine Huis aan het Zilvermeer > Liedjes en Versjes

 
 
 
 
 
 
 

Liedjes en Versjes

Liedje op pagina 29:
Er is een etenshuis
niet ver van hier.
Daar krijg je brood met ham
en schuimend bier.
O! wat juichen alle mannen
bij de boordevolle pannen.
Hoei! Hoe koel zijn alle kannen
met schuimend...

Liedje op pagina 42 en 43:
Ik ken een knappe, jonge vent!
Pas op, meisje, pas op!
Die maakt mij vaak een compliment!
Pas op, meisje, pas op!
Pas op, meisje, hij blijft niet trouw!
Pas op! Oho, pas op!
Hij neemt je vast niet tot zijn vrouw!
Pas op, meisje, pas op!

Liedje op pagina 43:
Ik trouw niet met een boerenzoon
die ruikt naar vee en mest.
Ik trouw veel liever een spoorwegman
met zijn mooie streepjesvest!
O, een spoorwegman, een spoorwegman,
een spoorwegman voor jou!
Je gaat trouwen met een spoorwegman,
je wordt een spoorwegvrouw!

Liedje op pagina 53:
O, kom toch naar Amerika,
daar kun je heerlijk leven,
want Uncle Sam is rijk genoeg
om ieder land te geven!

Liedje op pagina 105:
Waar ga je heen, mijn lieve kind?
Ik ga naar de melkwei, zei zij.
Mag ik me je mee, mijn lieve kind?
Zoals meneer wil, zei zij.
Heb je geld en goed, mijn lieve kind?
Mijn gezicht is mijn geld, zei zij.
Dan trouw ik je niet, mijn lieve kind.
Dat vroeg u ook niemand, zei zij.

Liedje op pagina 120:
't Was een nacht dat de wind bitter waaide,
bitter waaide over de hei,
dat Mary kwam met haar kindje;
naar het huis van haar vader kwam zij.
Vader, smeekte ze, vader, doe open,
heb medelijden met mij.
Want het kind in mijn armen zal sterven
door de wind die blaast op de hei.
Maar haar vader was doof voor haar roepen,
geen stap naar de deur zette hij.
Maar de waakhonden huilden
en de dorpsklikken luidden
en de wind blies...

Liedje op pagina 120 en 121:
Ik heb heel wat gereis in mijn leven,
ik kende veel zorgen en nood,
maar waar ik ook was en wat ik ook deed,
ik roeide mijn eigen boot.
Mijn eisen zijn weinig, het doet me niet veel
als het leven wat hort en wat stoot.
Ik reis wel mee op de levenszee
en ik stuur er mijn eigen boot.
Heb je naaste lief zoals het behoort,
toon begrip voor klein en voor groot.
Wees niemand tot last met geklaag en verdriet
en roei je eigen boot.

Liedje op pagina 125 en 126:
't Was het tere groen van de ranke berk,
't was de meibloei die ons verblijdde,
toen ik haar in de koele schemring
omarmde, mijn Mary van de weide.
De gouden uren vervlogen zo snel,
zo snel kwam het uur van scheiden.
Ach, lief als het licht en het leven
was mij mijn Mary van de heide

Liedje op pagina 126:
Elk meisje heeft haar jongen,
behalve ik, zegt ma.
Maar elke jongen lacht mij toe
als ik door het water ga.

Liedje op pagina 126 en 127:
Ik ben kapitein Klucht van de zeelui te paard,
mijn aardse bezit is weinig waard,
want het geld laat ik rollen en heel bedaard
smijt ik met de duiten, die een ander bewaart.
Want ik ben kapitein Klucht van de zeelui te paard,
ik ben kapitein van het leger!
Ik ben mevrouw Klucht van de zeekapitein.
Mijn haar is gekruld en ik loop in satijn.
Maar mijn eega gedroeg zich niet al te fijn,
hij dronk te veel bier, hij dronk te veel wijn
en toen schopten ze hem uit het leger!

Liedje op pagina 127:
Eest je hiel en dan je teen,
van je linker- op je rechterbeen.
Eerst je hiel en dan je teen,
van je linker- op je rechterbeen.
Eerst-je-hiel-en-dan-je-teen...

Liedje op pagina 147:
De zon roept het gras weer tot leven,
de dauw de verdorde natuur.
En ogen staan blij, als het licht van de mei
zich verspreidt in het morgenuur.
Maar woorden die tederheid dragen
en een handdruk die vast is en trouw
zijn warmer dan een zomerdag
en laven meer dan dauw.

Liedje op pagina 152:
Licht voor al wie heeft gedwaald,
troost voor al wie lijdt.
Hij brengt wie Hem vertrouwen schenkt
naar de eeuwigheid.

Liedje op pagina 172:
Toen ik een jonge jongen was,
was ik altijd krap bij kas.
Het leven was zo goed op mij toen.
En het leven was zo goed op mij toen.
Toen ben ik dan getrouwd, ja toen!
Toen ben ik getrouwd, ja toen!
En dat leven heeft me niet berouwd.
En het leven was zo goed op mij toen.

Liedje op pagina 172 en 173:
Ze maakt me daar een kersentaart,
tjonge jonge jonge jonge jonge jong!
Ze maakt me daar een kersentaart,
tjonge jonge jonge jonge jonge jong!
Ze maakt me daar een kersentaart
en ze doet het met een reuze vaart.
Maar haar moeder vindt haar veel te klein
om nu mijn huisvrouw al te zijn!
Ik zet mijn geld op die vossenstaart
en jij het jouwe op dat grijze paard!

Liedje op pagina 174 en 175:
Als wij prettig thuis en tezamen zijn
en de vreugde stijgt op in gezangen,
denken wij dan aan tranen die stromen
in de woning, in zorgen gevangen?
Help dus degeen, die vermoeid is en zwak.
Help de pelgrim die klopt aan de deur!

Liedje op pagina 204:
O, ik ben zo gelukkig als de zonnebloem
die knikt en buigt in een windvlaag!
En mijn hart is zo licht als de felle wind
die het dwarrelend blad uit het bos jaagt!

Liedje op pagina 216:
Heb geen onnodige zorgen,
verander die traan in een lach.
Wat nu niet lukt, lukt morgen,
dan is er een nieuwe dag.
Heb geen onnodige zorgen;
een mens doet al wat hij kan.
'De hand is aan de ploeg' elke morgen,
is het motto van iedere man.

Liedje op pagina 230:
We reizen gerust door dit leven op aard'!
Tevreden zoals het behoort.
We zien graag de vriendschap vereend om de haard
en geen zorg die de vreugde verstoort.
Onze hoop is gevestigd op voorspoed en vree;
we zijn blij en verlangen niets meer.
En de reden der voorspoed, vertel ik hierbij,
is het hoefijzer boven de deur!

Liedje op pagina 235:
Thuis! Thuis! Mijn eigen thuis,
al is het nog zo klein,
het is nergens als thuis.

 

 
 
Het Kleine Huis op de Prairie