Home > De Boeken > Het Kleine Huis bij de Bron > Liedjes en Versjes

 
 
 
 
 
 
 

Liedjes en Versjes

Fuifliedje op pagina 65:
Lippen als kersen,
Haar als van goud,
De goede God weet,
Hoeveel ik van haar houd!
Kom nu naar huis, Cindy, Cindy
Kom nu naar huis, Cindy, Cindy
Kom nu naar huis, Cindy, Cindy
Eens word je mijn vrouw.

Liedje op pagina 80:
Leeuw'rik in de morgen, die uit haar nestje komt, 
Leeuw'rik in de morgen, die uit haar nestje komt, 
Leeuw'rik in de morgen, die uit haar nestje komt, 
En van haar witte borst valt de dauw al op de grond.
Hoe hoger ze vliegt, hoe zoeter haar gezang,
Hoe hoger ze vliegt, hoe zoeter haar gezang,
Hoe hoger ze vliegt, hoe zoeter haar gezang,
En wij gaan weer naar het groene veld, dat duurt niet lang.

Liedje/verhaal op pagina 88:
Ergens in de bergen van Missouri,
Ver van alle aardse zorgen,
Stond de zoon van Dan Kelly.
Met z'n geweer,
Denkend aan het meisje van Turney.
Dan was echt een jonge heethoofd.
Zijn pa had hem streng opgevoed.
Al vanaf zijn geboorte, droeg hij een geweer,
Om op iedere Turney te schieten.

Wijsje op pagina 107:
Een voor de merel,
Een voor de kraai,
Zo blijven er twee over
Van de vier die ik zaai.

Poėzieversje van vriendinnetje Blanche Codey voor Rose Wilder op pagina 184:
Jij was de knapste uit de rij
En jij was ook te knap voor mij

Poėzieversje van Almanzo Wilder voor Rose Wilder op pagina 185:
Aan mijn Prairieroos:
Wees trouw in alle dingen,
Vermijd oppervlakkigheid,
En nooit mag je vergeten
Je hebt hier een tehuis.
Papa.

Poėzieversje van Laura Ingalls Wilder voor Rose Wilder op pagina 185/186:
Er waren eens wat wonderbloemen
Ze zorgeloos in hun spel.
Hun jurkjes raakten gescheurd en vuil,
En het stof zat op hun vel.
En 's middags gingen ze al naar bed,
En deden hun kopjes toe.
Zodat de Dauwfee ze niet wassen kon.
Ze waren veel te moe.
Die arme Dauwfee! Wat moest ze doen?
Ze ging naar de Elfentroon.
'¯De kopjes van de wonderbloem
Die krijg ik zo niet schoon'.
De machtige Stormelf hoorde haar aan.
Hij riep: 'O, wind en regen mijn,
Wassen jullie die wonderbloemen eens schoon,
Zoals bloemen horen te zijn'.
En voor ze toen naar bed konden gaan,
Kwamen daar regen en wind.
En plasten en wasten naar hartelust
Ieder stout en vies bloemenkind.

Liedje op pagina 186:
Mijn vader kwam laatst uit de stad.
Hij zag er treurig uit.
Zijn wagen leeg, katoen verkocht,
En in zijn zak geen duit.
Hoera! Hoera!
't is vreemd'¯ zei mama.
'¯Wij kleden heel de wereld aan,
En zijn zelf haast bloot, papa'.¯

 

 
 
Het Kleine Huis op de Prairie